Categorieën
Art AutoBiography

Het Geheim Van Afke Smit

  1. Inleiding.

Het leven op aarde is een bijzondere weg, de geboorte is een gift van God waar de mens begint aan een reis, een reis waar men geen emmers of zakken heeft, het is een “Pelgrimstocht”. Als kind groeit men op in de tuin van verwondering, waar men alles gaat ontdekken, een wandeling door een “Geheime Tuin”, zo heb ik dat zelf altijd ervaren en dat doe ik tot op de dag van vandaag nog. Al wandelend door de tuin vol geheimen zocht ik altijd naar verwondering, verwondering die mij altijd veel levensvreugde gaf en nog steeds sta ik perplex van de schittering die God over de dagen en nachten van het leven sprenkelt. Het leven is een prachtige sprookjesachtige reis, het liedje “Nocturne” gezongen en op hun eigen manier vertaald met muziek door “Secret Garden” bijvoorbeeld, luisterde ik door de koptelefoon van mijn “My First Sony” Disc-Man op de fiets. Het muziekstuk heeft een diepere oorsprong, die ik graag even toelicht;

Nocturne

Nocturne (Fr. Nachtstuk) is de Franse vertaling van het Italiaanse ‘nottumo’, een 18e- eeuwse orkestserenade waarmee muziekfeesten tot in de kleine uurtjes werden opgeluisterd.

Ik herinner mij nog goed dat ik naar “De Bergense Scholengemeenschap” fietste, op weg naar een heel nieuw avontuur, de middelbare school; mijn vader; Evert Smit jr. vond deze school zeer geschikt voor mij omdat hij zei dat ik talent heb in de artistieke zin van het woord. Vanaf dat ik mij kan herinneren gelooft hij in mij. In mijn herinnering leest hij mij weer de “Scheepsjongens van Bontekoe” voor, geschreven door Johan Fabricius, een prachtig boek dat gaat over een stel tiener jongens die mee gaan op de wel bekende reis naar het onbekende verre oosten. Het boek neemt je mee op een wonderlijke reis, een reis waar elk kind van durft te dromen.

Als genre ontwikkelde de nocturne zich vanuit de 19e-eeuwse belangstelling voor nachtelijke sferen, de droom en het onderbewuste. Die interesse openbaarde zich ook in de poëzie, zoals in Nachtstück van Johann Mayrhofer. In 1814 was de Ierse componist en klaviervirtuoos John Field de eerste die zijn romances voor piano solo ‘nocturnes’ noemde. Liszt schreef hierover in 1859 dat we bij Field ‘de oorsprong vinden van stukken die bedoeld zijn voor de uitdrukking van subjectieve en oprechte emoties’. Gelijk opgaand met de ontwikkeling van de moderne piano, vonden componisten in dit genre vaak de weg naar een zangerige pianoklank, fluisterzachte pianissimi en een niet functioneel gebruik van akkoorden als klankkleur. Nocturnes hebben een vrije vorm waarin lyriek en poëzie de toon aangeven. Chopin bracht het genre tot eenzame hoogte. Van Bree componeerde al in 1837 de eerste Nederlandse nocturnes. Vele romantische componisten droegen bij aan het genre, en ook in de 20ste eeuw bleef de nacht een bron van inspiratie voor de meest uiteenlopende componisten als Bartók en Copland.

Tijdens deze mooie reis nam Mijn Vader mij mee telkens weer opnieuw, hij stopte gelukkig nooit met voorlezen, het was geen vader die zei; je moet gaan slapen want morgen moet je weer naar school of morgen moet je iets doen in de maatschappij. Hij gaf mij altijd het idee dat alles mogelijk is, alles dat je durft te dromen kan gewoon uitkomen, als je maar gelooft in Gods kracht, dan geeft Hij jou de kracht om alles te verwezenlijken. Angst is niet nodig vertelde mijn vader mij altijd want God is er om je te beschermen.

 Vanaf dat ik geboren ben herinner ik mij echt alles, op de eerste foto’s kan je al zien dat mijn vader zo trots is op zijn eerste kindje, ik ben dan wel een meisje maar dat vond hij helemaal geweldig. In de Bijbel lees je voornamelijk over de eerstgeborene zonen. De vrouwen worden altijd ondergeschikt genoemd. Mijn vader vertelde mij dat dat iets is van vroeger. Zijn eigen zus; mijn tante “Foof’, Johanna Margaretha Smit, geboren net als mijn papa in Koog aan De Zaan. Mijn vader is geboren op 24 juli 1920 en zijn grote zus in oktober 1912, als ik mij dat goed herinner want ik heb op dit moment niet alle gegevens bij de hand.

Rouwverwerking.

Tijdens dat ik dit schrijf bekruipt mij de weemoed naar deze twee mensen, het zijn de enige mensen op aarde die mij hebben gemaakt die ik nu ben. Ik mis ze zo ontzettend. God is er, dat weet ik wel maar dat neemt niet weg dat ik ook maar een mens ben van vlees en bloed. Er zijn mensen die denken dat huilen een teken is van egocentrisme of instabiliteit, daar ben ik het zelf niet mee eens. Zeker niet als hun eigen ouders gewoon nog leven, is dat een makkelijke uitspraak.

 Dat zou dat een zegen zijn zeg, nu nog elke dag mijn vader en tante te kunnen zien, ze te kunnen bellen of zelf heel modern met ze te kunnen face-timen. De nieuwe technologie vonden en vinden mijn vader en ik altijd een wonder, een wonder dat God mensen geeft door middel van zijn kracht ontwikkelen mensen mooie dingen. Het verlies van een ouder op jonge leeftijd hakt er stevig in, althans bij mij zeer zeker; “Het een plekje kunnen geven ’of de uitspraak dat; “Je leert er mee leven” gaan voor mij niet op. In zekere zin is het wel een mooie uitspraak maar het zijn maar lege woorden. Mijn eigen ervaring leert mij en ik spreek uitsluitend voor mijzelf uiteraard, dat het verlies van mijn vader nooit een plek zal hebben. Het gemis wordt elke dag erger en ik probeer zijn stem te horen bij elke keuze die ik maak.

Afke Smit en Haar Mama, Uschi Smit-Misch, Gemaakt door Mijn Vader; Evert Smit JR.

Hear, O Israel, the L-rd is our G‑d, the L-rd is One.

And thou shalt love the L-rd thy G‑d with all thy heart, and with all thy soul, and with all thy might. And these words that I command thee this day, shall be upon thy heart. And thou shalt teach them diligently unto thy children, and thou shalt talk of them when thou sittest in thy house, and when thou walkest by the way, and when thou liest down and when thou risest up. And thou shalt bind them for a sign upon thy hand, and they shalt be for frontlets (totafot) between thine eyes. And thou shalt write them upon the doorposts (mezuzoth) of thy house, and upon thy gates. (Deuteronomy VI, 4‑9).

And it shall come to pass, if ye shall hearken diligently onto My commandments which I enjoin upon thou this day, to love the L-rd your G‑d and to serve Him with all your heart and with all your soul, that I will give the rain of your land in its season, the former rain and the latter rain, that thou mayest gather in thy corn, and thy wine, and thine oil. And I will give grass in thy fields for thy cattle, and thou shalt eat and be satisfied. Take heed to yourselves, lest your heart be deceived, and ye turn aside and serve other gods, and worship them; and the anger of the Lord be kindled against you, and He shut up the heaven, so that there shall be no rain, and the ground shall not yield her fruit; and ye perish quickly from off the good land which the L‑rd giveth you. Therefore, shall ye lay up these My words in your heart and in your soul; and ye shall bind them for a sign upon your hand, and they shall be for frontlets (totafot) between your eyes. And ye shall teach them your children, talking of them, when thou sittest in thy house, and when thou walkest by the way, and when thou liest down, and when thou risest up. And thou shalt write them upon the doorposts (mezuzoth) of thy house, and upon thy gates; that your days may be multiplied, and the days of your children, upon the land which the L-rd swore onto your fathers to give them, [for as long] as the days of the heavens about the earth.” (Deuteronomy XI, 13-21).

ZEBULON. DE 12 STAMMEN VAN ISRAEL…..

Mijn vader vertelde mij dat Holland, Zebulon de stam is waar Holland vanaf stamt, wateren zoals de Zaan, Holland een haven voor schepen, een toevluchtsoord voor HEN die anders dachten en HEN die zich tegen de huidige MACHT keren. Zie de Zebulon Hymne, Tekst en Muziek door Niek Scheps. Gemaakt in Voorburg, 5 October, 1971.

Mijn Vaders Zakbijbel, Persoonlijk Eigendom van Afke Smit.

Mijn Vaders Bijbel Met ZIJN Aantekeningen Is Mijn Levens Leidraad!. Afke Smit.”

Nederland is een kleurig klein land, een nuchter land met mensen met warme harten, Mesopotamië, kuststreken van de Assyriërs, volgens de wet van Kombu, uit Kimbrie en het Huis van Omrie, Demir, de Lage landen, Kennemerland, Walcheren, de Zaanstreek, Friesland, Kimswerd (Daar hoor je de naam van Kimbrie, de wet van Kombu (Betekend ook Zeewier in het Japans trouwens.) nog goed doorklinken;

Hier even een kleine toelichting:

Jehoshaphat.

This article is about the King of Judah. For the high priest of Israel, see Jehoshaphat (high priest).

For other uses, see Jehoshaphat (disambiguation) and Josaphat (disambiguation).

Jehoshaphat (/dʒəˈhɒʃəfæt/; alternatively spelled Jehosaphat, Josaphat, or Yehoshafat; HebrewיְהוֹשָׁפָטModern: Yəhōšafat, Tiberian: Yehōšāp̄āṭ, “Jehovah has judged”; Greek: Ἰωσαφάτ, romanized: Iosafát; Latin: Josaphat), according to 1 Kings 15:24, was the son of Asa, and the fourth king of the Kingdom of Judah, in succession to his father. His children included Jehoram, who succeeded him as king. His mother was Azubah. Historically, his name has sometimes been connected with the Valley of Josaphat.[1]

Jehoshaphat
Josaphat rex.png
King of Judah
Reignc. 870 – 849 BCE
PredecessorAsa
SuccessorJehoram
IssueJehoram
FatherAsa

Statues of Kings Jehoshaphat and Hezekah at El Escorial, Spain

2 Chronicles 17 to 21[2] is devoted to the reign of Jehoshaphat. 1 Kings 15:24[3] mentions him as successor to Asa, and 1 Kings 22:1-50[4] summarises the events of his life. The Jerusalem Bible states that “the Chronicler sees Asa as a type of the peaceful, Jehoshaphat of the strong king”.[5]

According to these passages, Jehoshaphat ascended the throne at the age of thirty-five and reigned for twenty-five years. He “walked in the ways” of his father or ancestor, King David.[6] He spent the first years of his reign fortifying his kingdom against the Kingdom of Israel. His zeal in suppressing the idolatrous worship of the “high places” is commended in 2 Chronicles 17:6.[7][8]

In the third year of his reign, Jehoshaphat sent out priests and Levites over the land to instruct the people in the Law, an activity which was commanded for a Sabbatical year in Deuteronomy 31:10-13[9] (taking place in Jerusalem). Later reforms in Judah instituted by Jehoshaphat appear to have included further religious reforms,[10] appointment of judges throughout the cities of Judah[11] and a form of “court of appeal” in Jerusalem.[12][13] Ecclesiastical and secular jurisdictions, according to 2 Chronicles 19:11,[14] were by royal command kept distinct.[15]

The author of the Books of Chronicles generally praises his reign, stating that the kingdom enjoyed a great measure of peace and prosperity, the blessing of God resting on the people “in their basket and their store”.[16]

Alliances.

´The Angels Are Always What they Seem!´

Michelangelo‘s Asa-Jehoshaphat-Joram. The man on the left is generally considered to be Jehoshaphat.[citation needed]

Jehoshaphat also pursued alliances with the northern kingdom. Jehoshaphat’s son Jehoram married Ahab’s daughter Athaliah.[15] In the eighteenth year of his reign Jehosaphat visited Ahab in Samaria, and nearly lost his life accompanying his ally to the siege of Ramoth-Gilead. While Jehoshaphat safely returned from this battle, he was reproached by the prophet Jehu, son of Hanani, about this alliance.[8] We are told that Jehoshaphat repented, and returned to his former course of opposition to all idolatry, and promoting the worship of God and in the government of his people.[17]

Later it appears that Jehoshaphat entered into an alliance with Ahaziah of Israel, for the purpose of carrying on maritime commerce with Ophir.[18] He subsequently joined Jehoram of Israel in a war against the Moabites, who were under tribute to Israel. The Moabites were subdued, but seeing Mesha’s act of offering his own son as a human sacrifice on the walls of Kir of Moab filled Jehoshaphat with horror, and he withdrew and returned to his own land.[19]

Victory over Moabite Alliance.

Triumph of Jehosaphat over Adad of Syria as illustrated by Jean Fouquet (1470s) for Josephus‘ Antiquities of the Jews

According to Chronicles, the Moabites formed a great and powerful confederacy with the surrounding nations, and marched against Jehoshaphat.[20] The allied forces were encamped at Ein Gedi. The king and his people were filled with alarm. The king prayed in the court of the Temple, “O our God, will you not judge them? For we have no power to face this vast army that is attacking us. We do not know what to do; but our eyes are upon you.”[21] The voice of Jahaziel the Levite was heard announcing that the next day all this great host would be overthrown. So it was, for they quarreled among themselves, and slew one another, leaving to the people of Judah only to gather the rich spoils of the slain. Soon after this victory Jehoshaphat died after a reign of twenty-five years at the age of sixty.[22] According to some sources (such as the eleventh-century Jewish commentator Rashi), he actually died two years later, but gave up his throne earlier for unknown reasons.

He also had the ambition to emulate Solomon’s maritime ventures to Ophir, and built a large vessel for Tarshish. But when this boat was wrecked at Ezion-geber he relinquished the project.[23]

In I Kings xxii. 43 the piety of Jehoshaphat is briefly dwelt on. Chronicles, in keeping with its tendency, elaborates this trait of the king’s character. According to its report,[24] Jehoshaphat organized a missionary movement by sending out his officers, the priests, and the Levites to instruct the people throughout the land in the Law of Yhwh, the king himself delivering sermons.

Underlying this ascription to the king of the purpose to carry out the Priestly Code, is the historical fact that Jehoshaphat took heed to organize the administration of justice on a solid foundation, and was an honest worshiper of Yhwh. In connection with this the statement that Jehoshaphat expelled the “Ḳedeshim” (R. V. “Sodomites”) from the land (I Kings xxii. 46) is characteristic; while II Chron. xix. 3 credits him with having cut down the Asherot. The report[25] that he took away the “high places” (and the Asherim) conflicts with I Kings xxii. 44 (A. V. v. 43) and II Chron.xx. 33. The account of Jehoshaphat’s tremendous army (1,160,000 men) and the rich tribute received from (among others) the Philistines and the Arabs[26] is not historical. It is in harmony with the theory worked out in Chronicles that pious monarchs have always been the mightiest and most prosperous.[15]

Rabbinic literature.

The question that puzzled Heinrich Ewald[27] and others, “Where was the brazen serpent till the time of Hezekiah?” occupied the Talmudists also. They answered it in a very simple way: Asa and Joshaphat, when clearing away the idols, purposely left the brazen serpent behind, in order that Hezekiah might also be able to do a praiseworthy deed in breaking it.[28][29]

Chronological notes.

William F. Albright has dated the reign of Jehoshaphat to 873–849 BCE. Edwin R. Thiele held that he became coregent with his father Asa in Asa’s 39th year, 872/871 BCE, the year Asa was infected with a severe disease in his feet, and then became sole regent when Asa died of the disease in 870/869 BCE, his own death occurring in 848/847 BCE.[30] So Jehoshaphat’s dates are taken as one year earlier: co-regency beginning in 873/871, sole reign commencing in 871/870, and death in 849/848 BCE.

The calendars for reckoning the years of kings in Judah and Israel were offset by six months, that of Judah starting in Tishri (in the fall) and that of Israel in Nisan (in the spring). Cross-synchronizations between the two kingdoms therefore often allow narrowing of the beginning and/or ending dates of a king to within a six-month range. For Jehoshaphat, the Scriptural data allow the narrowing of the beginning of his sole reign to some time between Tishri 1 of 871 BCE and the day before Nisan 1 of 870 BCE. For calculation purposes, this should be taken as the Judean year beginning in Tishri of 871/870 BCE. His death occurred at some time between Nisan 1 of 848 BCE and Tishri 1 of that same year.

In Popular Culture.

The king’s name in the oath jumping Jehosaphat was likely popularized by the name’s utility as a euphemism for Jesus and Jehovah.[citation needed] The phrase, spelled “Jumpin’ Geehosofat”, is first recorded in the 1865-1866 novel The Headless Horseman by Thomas Mayne Reid.[31][32] The novel also uses “Geehosofat”, standing alone, as an exclamation.[33] The longer version “By the shaking, jumping ghost of Jehosaphat” is seen in the 1865 novel Paul Peabody by Percy Bolingbroke St John.[34]

Another theory is that the reference is to Joel 3:11-12,[35] where the prophet Joel says, speaking of the judgment of the dead, “Assemble yourselves, and come, all ye heathen, and gather yourselves together round about: thither cause thy mighty ones to come down, O LORD. Let the heathen be wakened, and come up to the valley of Jehoshaphat: for there will I sit to judge all the heathen round about.”

In the 1956 Warner Brothers Merrie Melodies theatrical cartoon short, Yankee Dood It, based on the fairy tale of The Elves and the Shoemaker, Jehosephat figures prominently as an invocation to turn elves into mice. On the TV series Car 54, Where Are You?, the character Francis Muldoon cited his partner’s frequent use of the phrase “Jumpin’ Jehosephat!” as a source of annoyance in the episode entitled “Change Your Partners”. The televised Batman live-action program of the 1960s also featured Robin, played by Burt Ward, uttering the phrase as an emphatic exclamation, and it was also incorporated into the talking alarm clock alarms voiced again by Burt Ward in 1974 in the “talking Batman & Robin alarm clock” made by Janex.

‘Jehoshaphat!’ was the standard curse-word used by Elijah Baley, protagonist of the first three novels of Isaac Asimov‘s Robot series.

Another reference comes in Keno Don Rosa‘s The Invader of Fort Duckburg, a Scrooge McDuck Life and Times story. Theodore “Teddy” Roosevelt exclaims ‘Great Jumping Jehoshaphat!!’ when confronted with Scrooge McDuck’s illegal occupation of the fictitious Fort Duckburg.

References.

  1. ^ J. D. Douglas, ed., The New Bible Dictionary (Eerdmans: Grand Rapids, MI, 1965) 604)
    1. ^ Bible 2 Chronicles 17:1 to 2 Chronicles 21:1
    1. ^ Bible 1 Kings 15:24
    1. ^ Bible 1 Kings 22:1–50
    1. ^ Jerusalem Bible (1966), footnote a at 2 Chronicles 17
    1. ^ Bible 2 Chronicles 17:3: NKJV. Alternatively this reference is translated as “his father’s earlier days” in the Jerusalem Bible and the Revised Standard Version
    1. ^ Bible 2 Chronicles 17:6
    1. a b Driscoll, James F., “Josaphat”The Catholic Encyclopedia. Vol. 8. New York: Robert Appleton Company, 1910, accessed 8 January 2014
    1. ^ Bible Deuteronomy 31:10–13
    1. ^ Bible 2 Chronicles 19:3
    1. ^ 2 Chronicles 19:5–7
    1. ^ Bible 2 Chronicles 19:8–11
    1. ^ Barnes, W. E. (1899), Cambridge Bible for Schools and Colleges on 2 Chronicles 19, accessed 6 May 2020
    1. ^ Bible 2 Chronicles 19:11
    1. a b c Hirsch, E. G. (1906), Jehoshaphat, Jewish Encyclopedia
    1. ^ Easton’s Bible Dictionary: Jehoshaphat, accessed 3 May 2020
    1. ^ Bible 2 Chronicles 19:4–11
    1. ^ Bible 2 Chronicles 20:35–37
    1. ^ Bible 2 Kings 3:4–27
    1. ^ Bible 2 Chronicles 20
    1. ^ Bible 2 Chronicles 20:12
    1. ^ Bible 1 Kings 22:50
    1. ^ BibleI Kings xxii. 48 et seq.; II Chron. xx. 35 et seq.
    1. ^ Bible II Chron. xvii. 7 et seq., xix. 4 et seq
    1. ^ Bible II Chron. xvii. 6
    1. ^ Bible II Chron. xvii. 10 et seq.
    1. ^ “Gesch. des Volkes Israel,” iii. 669, note 5
    1. ^ Ḥul. 6b
    1. ^ Hezekiah Jewish encyclopedia
    1. ^ Edwin R. Thiele, The Mysterious Numbers of the Hebrew Kings (3rd ed.; Grand Rapids, MI: Zondervan/Kregel, 1983) 96, 97, 217.
    1. ^ Reid, Mayne (1866). The Headless Horseman: A Strange Tale of Texas. London: Richard Bentley. p. 100.
    1. ^ “Jumping Jehosaphat“, World Wide Words.
    1. ^ Reid, Mayne (1866). The Headless Horseman: A Strange Tale of Texas. London: Richard Bentley. p. 61.
    1. ^ John, Percy Bolingbroke St (10 August 1865). “Paul Peabody: or, The apprentice of the world” – via Google Books.
    1. ^ Bible Joel 3

External links.

Jehoshaphat at the Jewish Encyclopedia  This article incorporates text from this source, which is in the public domain.

Jehoshaphat House of David Cadet branch of the Tribe of Judah
Contemporary 
Kings of Israel:AhabAhaziahJehoram
Regnal titles
Preceded by
Asa
King of Judah
Coregent with Asa: 873–871 BC
Sole reign: 871–849 BC
Succeeded by
Jehoram

Last edited 1 month ago by WikiCleanerBot

RELATED ARTICLES

Één reactie op “Het Geheim Van Afke Smit”

Jouw Vader was mijn grote Liefde
En ik denk elke dag aan hem.
Hij was geweldig en zijn gemis
Verwerk ik nooit.
Ooit mag ik weer naar hem en mijn
Zoon toe.
Nu geniet ik nog op deze wereld van mijn dochters en kleindochters🙏🏻❤️

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *